Jaargang 8, nummer 6
23 april 2010

Piloten/onderduikers routes door de Betuwe, door Dirk Jan van de Koppel deel 2

De onderduikers lijn

TRICHT - Naarmate de oorlog verder verliep probeerden ook burgers vanuit het nog bezette westen van het land (Den Haag, Utrecht en Hilversum) om via de Betuwe in bevrijd gebied te komen. Deze mensen durfden de Lek niet te doorwaden en gingen naar boer Verrips tussen Beusichem en Wijk bij Duurstede. Er was een afspraak van Verrips met zijn overbuurman aan de andere kant van het water op de Betuwse kant, Goot Wammes. Waren er mensen die moesten oversteken, Verrips kon altijd een man of 4 verbergen, dan hing hij de was buiten op een afgesproken manier op zodat duidelijk was dat er mensen de rivier over moesten. Zo hing er bijvoorbeeld tussen allemaal donkere was een lange witte herenonderbroek op z’n kop. Overvaren

Schipper Nout uit Rijswijk had zijn schip in de haven van de steenfabriek de Roodvoet in Rijswijk liggen en had met de kraan van de fabriek de ingang van de haven dichtgegooid met grond, dit opdat zijn boot niet door de Duitsers gevorderd kon worden. Hij had de boot ook half vol water laten lopen zodat het leek of hij gezonken was. Met oog op beschietingen van de steenfabriek woonde hij bij familie in Rijswijk of Ravenswaay. Moesten er mensen overgezet worden, dan gebruikte hij zijn roeiboot die hij onder overhangend hout verborgen hield. Werd Nout gewaarschuwd en de kust was veilig, dan ging hij met z’n boot over in de nacht en haalde de mensen op.

Checken

Zij kwamen op boerderij den Oven en werden met een tweetal tegelijk gebracht naar het huis van Toon Bijnen. Hij had ondanks de Duitse inwoning vaak wel 6 tot 7 onderduikers in huis zitten. Dat was ook mogelijk omdat overdag de Duitsers weg waren. De vluchtelingen werden daar aan een stevig verhoor onderworpen. Door oud gedeputeerde van Koeverden uit Buren, van Bijnen en enkele anderen. Om zeker te zijn dat er geen verkeerden, bijvoorbeeld NSB’ers tussen zaten. Als ze geen persoonsbewijs hadden, waarmee namen na te checken waren, werden mensen sowieso niet geholpen op hun vlucht. Aan de hand van papieren werd contact gezocht met de ondergrondse uit de omgeving waar ze vandaan kwamen. Was dit gebeurd dan werden de vluchtelingen naar boerderij de Laak gebracht, waar ze bij konden komen van wat ze hadden meegemaakt. Was er een die snel naar Brabant moest dan werd deze door van Koeverden meegenomen (blauwe kiel aan en melkemmer dragend) richting Buren naar de boerderij de Prinsentuin. Vandaar gingen ze als het mogelijk was door Buren heen (als er op dat moment geen Duitsers waren) en anders buitenom via Asch en Kapel Avezaath naar Wadenooyen. Daar werden ze overgedragen aan Gijs de Bie, de commandant van het Waalcommando. Deze nam ze mee naar Zennewijnen en daar werd als de kust veilig was contact opgenomen met Leendert Papo, die roeide ze over. Ter nagedachtenis hieraan staat in Zennewijnen nog een standbeeld aan de dijk: ‘de roeier’.

Flandria en de Steenoven

Er waren ook mensen bij, onderduikers of verzetslieden, die geen goede papieren hadden of niet helemaal vertrouwd werden. Deze werden naar Tricht gebracht. Ze moesten zijn of bij huize Flandria of op de Steenfabriek. Dit gebeurde altijd in de nacht met nooit meer als twee mensen per begeleider en maar een keer in de nacht. Ze gingen van de Laak via de Achterstraat in Asch tot aan den Akker, een doodlopende weg. Vandaar door een weiland van de familie van Willigen. Men moest een keer de Groenesteeg kruisen en kwam uiteindelijk aan de Hennisdijk. Hier lag een brug over de Wetering, maar de brugplanken waren verwijdert omdat de eigenaar bang was dat mensen ze zouden gebruiken om te stoken. Dus men moest over de legger. Vervolgens stak met de Hoogemaatsteeg over, een graskade. Verderop in Buurmalsen kwam men in de Lagemaatsteeg en vervolgens op de Rijksstraatweg uit. Men moest daar schuin oversteken naar de boerderij van de familie Hakkert. Langs die boerderij lag een pad van Reygersfoort. Aan het eind van dat pad lag ook weer een brug zonder brugdek, alleen balken, en dan stond men in Tricht. Tijdens deze tocht namen steeds andere mensen de begeleiding over. De Trichtse begeleiders hadden de opdracht om nooit met die mensen over de Meersteeg te gaan. Dit in verband met ganzen die op Reygersfoort liepen en veel kabaal maakten als er iemand langs kwam, en natuurlijk ook voor de diverse waakhonden van boerderijen. Via het land van Reygersfoort werd westelijk gelopen, soms een klein eindje de Buurmalsense molenkade uit. Totdat ze aan de Leygraafsewetering kwamen. Daar liep men aan de oostkant langs. De sloten die men onderweg tegenkwam waren makkelijk te overspringen, behalve twee sloten van de polder. Hier lagen spoorbielzen die men gebruikte om ze over te steken. Men bleef de wetering volgen tot ongeveer een 300 meter voor de spoorlijn Utrecht-Den Bosch. Hier was een boomgaard, dit was een perceel dat in 1865 door de spoorwegen was doorgesneden, maar het had een eigen boerenoverweg, zonder bewaking. Via de boomgaard stak men die spoorbaan over. Hierbij moest men heel goed opletten want de spoorlijn werd in opdracht van de Duitsers door burgers verplicht bewaakt tegen mogelijke ‘terroristische’ aanslagen. Uiteindelijk kwam men bij de overweg in de Langstraat. Daar was de wacht de helft minder en er was ook dikwijls een buurvrouw uit de omgeving aanwezig die keek of de kust veilig was om over te steken. Vermeld mag worden dat bij de oversteekplaats aan de Rijstraatweg en ook bij de overweg aan de Langstraat vaak politieman Heijmans aanwezig was om een oogje in het zeil te houden. Vervolgens nam men de Parallelweg Westzijde, om een weiland in te gaan en zo achter een huis (tegenwoordig bewoond door de familie van Vrouwerf) aan de Weistraat uit te komen. Het perceel was een vol gegroeide struikenboomgaard. Men stak de Weistraat over en kwam in een volgend perceel struikenboomgaard, deze was van de familie van Dien uit Tricht. Daarna werd de Middelweg overgestoken en kwam men in de boomgaard van Keij. Op de Lingedijk werd men in de regel opgewacht door mensen van het verzet. Dan werd overlegd waar de vluchtelingen heen moesten, dat was of huize Flandria of de Steenoven. Daar werd men verborgen.

De was werd gedaan

Op Flandria konden ze wat tot rust komen en werden daar door de heer Alberda(directeur van de steenfabriek) en door mensen uit Geldermalsen ondervraagd, om na te gaan of hun verhaal overeen kwam met het verhoor in Beusichem. Klopte het verhaal dan konden ze blijven. Vaak hadden deze mensen weinig kleren bij zich. Ze mochten op Flandria gebruik maken van het bad, de familie Alberda was een van de eerste families in Tricht met een bad, en kregen ze een bed om te slapen. Soms viel het mensen op dat verschillende keren een van de leden van de familie van Blitterswijk van de Steenfabriek met een tasje richting Mariënwaerd fietste. Nu stond aan de Sint Janssteeg een overwegwachterwoning die niet als zodanig in gebruik was maar bewoond werd door een medewerker van een van de boeren op Mariënwaerd. Dit huis was het enige huis in de omgeving waar een serre aan gebouwd was, aan de spoorkant. De bewoners waren de familie Besooyen, en zij deden de was van de vluchtelingen op Flandria. In die tijd werd er eigenlijk maar een keer in de week gewassen, maandag wasdag. Werd er vaker gewassen dan viel dat op. Dan was iemand ziek of er was wat anders aan de hand. De was van de vluchtelingen kon dus niet buiten opgehangen worden. In de serre aan de Sint Janssteeg droogde de was prima en het viel niet op. En zo hadden de vluchtelingen voorlopig weer schoon goed. Meestal was het niet belangrijk om snel overgezet te worden. Was het eenmaal zo ver dan werd men naar Deil gebracht. En via het Deilse en Enspijkse veld ging men de Rijksweg over en werd Rumpt naar Herwijnen gebracht. Daarna werd dezelfde route gebruikt als de Pegasus lijn gebruikte.

Van de Pegasus lijnen maakten militairen gebruik. De route door Tricht was vooral voor burgers, onderduikers. Het is niet duidelijk of deze route een naam had. De mensen die er aan meegewerkt hebben, hebben er na de oorlog eigenlijk nooit over willen praten.

Noot:

Het monument 'De Roeier' in Zennewijnen is een bronzen beeld van een mannenfiguur. Het beeld is geplaatst op een gemetseld voetstuk met gedenkplaat. Het beeld staat symbool voor alle verzetsactiviteiten in de Betuwe, voor alle verzetslieden, bevrijders en slachtoffers. Oorspronkelijk was het beeld uitgevoerd in gips en ijzer. Door verwering werd het monument echter aangetast. Daarom hebben de gemeenten Neerijnen en Tiel in 2002 besloten het beeld in brons te laten gieten. Het beeld, dat uitzonderlijke afmetingen heeft, is met speciaal transport naar een bronsgieterij vervoerd en werd op 2 mei 2003 teruggezet op een aangepaste sokkel.