Jaargang 8, nummer 5
19 maart 2010

Piloten/onderduikers routes door de Betuwe, door Dirk Jan van de Koppel deel 1

TRICHT – Op 5 mei van dit jaar vieren we dat het 65 jaar geleden is dat er in Nederland een einde aan de Tweede Wereldoorlog kwam. Vijf jaar lang was ons land, en ook Tricht, bezet gebied. Vele verhalen zijn hier over geschreven en verteld, maar er zijn nog veel meer verhalen niet of slechts gedeeltelijk geschreven en verteld. Verhalen die zich ook hier, in Tricht, afspeelden. Een daarvan is het verhaal van de vluchtroute die speciaal door het Nederlandse verzet voor neergeschoten geallieerde piloten werd opgezet en die deels dwars door het Trichtse veld liep.

Toon Bijnen

Een van de hoofdrolspelers was Toon (ook wel Teun genoemd) Bijnen. Deze Beusichemer kwam uit een rijke familie en studeerde vanaf 1922 in Delft. Daar werd hij lid van de studenten roeivereniging Laga. Roeien was destijds een echte studentensport. Het bleek een goede keus. Toon Bijnen staat te boek als succesvolste Nederlandse roeier aller tijden. Hij won in 1924 tijdens de Olympische Spelen samen met teamgenoot Willy Rösingh een gouden medaille. Samen behaalden ze zes Europese titels en Toon werd maar liefst twaalf maal Nederlands kampioen. In 1928 kwam hij na zijn studie weer in het familiehuis Engelenburg in Beusichem wonen. Daar droeg men hem op handen. Hij richtte de zwem- en voetbalvereniging BZS mede op, maar ook de schietvereniging Willem Tell. Ook was hij beschermheer van muziekvereniging Excelsior. In de oorlogsjaren was hij commandant van de Binnenlandse Strijdkrachten in Beusichem. En alhoewel de laatste oorlogsjaren de staf van generaal Baskowitsch in Engelenburg was gelegerd, en Toon en zijn vrouw alleen de beschikking over de keuken en bovenverdieping hadden, ging Toon gewoon door met zijn activiteiten voor de ondergrondse. Zijn huis werd, ondanks de Duitse officieren, een doorgangsplaats in de vluchtroute voor piloten die van de Veluwe via de Lek en Waal naar bevrijd gebied voerde.

Pilotenlijn

In 1942 ontstond de eerste vluchtlijn voor neergestorte piloten. In dat jaar werden de geallieerde bombardement op Duitsland steeds sterker. Veel van de vliegtuigen vlogen op de heenweg over de Betuwe. Dit omdat de Waal en de Rijn oplichtten in de nacht. Men had toen geen radar tot de beschikking en moest op zicht vliegen. De bommenwerpers werden beschermd door jachtvliegtuigen. Zij probeerden in Duitsland hun doel te bereiken. Waren de bommen eenmaal afgeworpen dan vlogen ze via een noordelijke route terug naar Engeland, in de regel over de Achterhoek. De Duitsers hadden aan de Nederlands-Duitse grens afweergeschut staan. Getracht werd ze op terugweg af te schieten, dat gebeurde niet op de heenweg vanwege ontploffingsgevaar van zo’n bommenwerper vol bommen. Er werden dan ook regelmatig boven de Achterhoek geallieerde vliegtuigen geraakt. Omdat ze op grote hoogte vlogen stortten ze vaak neer in het IJsselmeer. De bemanning probeerde op voldoende hoogte met een parachute eruit te springen. Gezien de afstand kwamen ze meestal op de Zuid Veluwe terecht, rond Ede, Barneveld en omgeving. Daar werden ze in de bossen opgevangen door boswachters. De meesten Engelsen en Amerikanen hadden maar een woord geleerd: Mussendorp. Een plek in de omgeving van Amersfoort en Leusden. Daar werden ze naar toe begeleid en door een aantal boeren opgevangen om vervolgens geholpen te worden Nederland te ontvluchten.

Pegasus 1

De eerste pilotenlijn die gelegd is om geallieerde piloten terug te krijgen naar Engeland kreeg de naam Pegasus (gevleugelde paard) 1. Vanuit de Veluwe werden de piloten onder begeleiding van mensen uit het verzet in kleine groepjes richting Wageningen gebracht. Als ze opgepakt zouden worden door de Duitsers zou de piloot, als militair naar een krijgsgevangenkamp gaan, zoals afgesproken in het verdrag van Genève. Hier was in ieder geval toezicht van het internationale Rode Kruis. Een gesnapte begeleider van piloten zou het heel wat moeilijker krijgen, maar kwam er nog wel lichter vanaf dan als men met helpen van Joden gepakt werd.

In Wageningen stak men met de pont over. Van 1942-tot begin 1944 was er nog geen bewaking aan die pont. Daarna ging het via binnenwegen langs Heteren naar Oosterhout aan de Waal. Daar was de mogelijkheid om over de Waal gezet te worden. Vervolgens probeerden ze door Brabant, België en Frankrijk naar Spanje te komen. Er zijn gevallen bekend die er 9 weken over gedaan hebben. In Brabant waren veel pastoors en kleine kloosters die aan deze vluchtroute hebben meegewerkt.

Via Wijk bij Duurstede

Na de mislukte luchtlanding bij Arnhem en bezetting en strijd in de Over Betuwe was deze vluchtroute geen optie meer. De route werd verlegd en ging van Amersfoort via Amerongen naar Eck en Wiel om de oversteek te maken. Naarmate de tijd verstreek werden de Duitsers echter steeds venijniger. De vluchtroute werd nogmaals verlegd, nu via Wijk bij Duurstede naar Maurik. In Wijk bij Duurstede was het pontveer buiten gebruik. Deze was zo lang mogelijk in de vaart gehouden, deels door de zogenaamde Kriegsmarine. Voor de oorlog was er ook een veer van Wijk bij Duurstede naar Maurik, maar dit veer werd in 1940 opgeheven als officieel veer. Maar te voet en te fiets werd metn nog wel met een roeiboot overgezet. Om toch de rivier over te kunnen steken werden roeiers ingezet die de stroom op de Lek goed kenden. Kende je die niet dan was het veel te gevaarlijk. Zo werden ook de piloten vervoerd. Van Maurik ging het naar de steenfabriek in Echteld, daar waren ook weer mensen die de Waal over durfden te roeien. In december 1944 probeerden de Duitsers in een poging de Engelsen te verjagen de Betuwe onder water te zetten. Zij hadden echter niet in de gaten dat de dorpen hoger lagen, dus de Engelsen gingen niet weg. Maar er moest wel geëvacueerd worden. Dorpen zoals Ingen, Eck en Wiel, Maurik, Ommeren en Rijswijk kwamen (deels) onder water te staan. Dat gebeurde twee keer die winter. Maar opnieuw was ook de pilotenlijn verbroken door het onder water staande land.

Pegasus 2

Toen ontstond een nieuwe lijn, de Pegasus 2. Vanuit Amersfoort, via Doorn naar Wijk bij Duurstede. Ergens tussen Wijk en het Beusichemse veer moesten ze proberen de Lek over te komen. Aan de lek stonden twee boerderijen. De een heette Den Oven (naar steenfabriek) en was bewoond door de familie Wammes, de andere boerderij heette de Duinen. Hier woonde of de familie Stappershoef of Vernooy. Bij de Duinen was de Lek doorwaadbaar. In de winter was dat natuurlijk niet zo fijn met de kou. Bovendien waren de uiterwaarden langs de Rijn en de Lek verboden gebied. Dit had te maken met het feit dat door de in 1944 toegenomen bombardementen in Duitsland een groot aantal burgerslachtoffers vielen die deels met het rivierwater naar Nederland kwamen en daar in de uiterwaarden aanspoelden. Dat wilden de Duitsers liever niet bekend hebben en daarom werden de uiterwaarden ‘spergebied’. Mensen in Beusichem herinneren zich dat op de uiterwaarden aldaar in ieder geval 5 mensen zijn aangespoeld

De enige die toegang tot de uiterwaarden had was dominee de Wit uit Zoelmond. Die mocht met een ‘ausweis’ een of twee keer per dag gaan kijken of er nog lijken waren aangespoeld. Hier maakte men goed gebruik van. Achter boerderij de Duinen stonden veel doornstruiken en hij hing in die struiken een krant of stuk wit textiel als een teken dat de kust veilig was, als er piloten waren om voer te steken. Daarvandaan werden ze begeleid naar Beusichem waar ze werden opgevangen door Toon Bijnen.

Via Tricht

In het huis van Toon werden ze verhoord. Om zo informatie te achterhalen over militaire bewegingen. Daarna werden ze door Toon en anderen overgebracht naar boerderij de Laak in Asch. Daar werden ze voorzien van een overal of blauwe kiel en werden via Asch, de Kruisweg, Trichtse veld, en zo lang het kon via het Mariënwaerdse veld naar Beesd gebracht. Toen er niet meer gemalen mocht worden stond het Trichtse veld onder water en kon dat niet meer gebruikt worden. Voor het vervoer gebruikten ze vaak een oude fiets, en er fietste altijd iemand honderd meter voorop als uitkijk. De begeleiders waren mensen uit Asch en Tricht die goed bekend waren. Bijvoorbeeld jachtopzieners en dergelijke. Men heeft wel eens een dag op een eendenkooi kunnen doorgebracht. Men verplaatste meestal ’s avonds en ’s ochtends vroeg. In die schemertijd viel men minder op want dan waren er altijd wel mensen in het veld aan het werk om te melken. Gelukkig waren er niet al te veel Duitsers in de streek, maar men moest toch altijd goed uitkijken.

Via een rustplaats ergens in het Beesdse veld ging men via Rhenoy de Linge over richting Herwijnen en daar werd men op de eendenkooi door kooiker Willem Vroege opgevangen. Deze had contacten met de veerlieden op de pont Herwijnen-Brakel. Was de kust veilig dan werden ze door Vroege of een ander naar de pont gebracht en kwamen ze in de Bommelerwaard. Werd de Andelse sluis niet bewaakt dan gingen ze daarover. Was er wel bewaking dan werden ze overgezet bij de steenfabriek de Rietschoof in Aalst. Zo kwam men in Veen, Noord-Brabant, terecht. Daar vandaan werd geprobeerd het bevrijde gebied in Noord Brabant te bereiken en ging dat niet dan probeerden ze in de Biesbos te komen. Uit de Biesbos vandaan werd tenslotte geprobeerd naar Made of Drimmelen te komen, bevrijd gebied.

Volgende keer over de onderduikerslijn door Tricht